Katholiek Onderwijs Vlaanderen heeft 5 krachtlijnen voorop gesteld die het kader vormen waarbinnen ondersteuningsnetwerken functioneren.

  1. Versterken van gewone scholen
    Tegenwoordig zijn er heel wat maatschappelijke en inhoudelijke factoren die de werking van de scholen uitdagen. Enerzijds zijn de verwachtingen heel hoog: scholen hebben een educatieve maar ook een opvoedkundige rol. En als het nog even kan moeten zij ook preventief optreden zodat toekomstige maatschappelijke problemen in de kiem worden gesmoord. Anderzijds is de leerlingenpopulatie superdivers geworden: leerlingen met stoornissen of beperkingen, met een anderstalige thuiscontext of met sociaal-emotionele problemen.
    Ondersteuners willen samen met de school zoeken naar manieren waarop ze hun opdracht kunnen uitvoeren zodat de leerlingen krijgen wat ze nodig hebben maar zodat dit ook haalbaar blijft voor de leerkrachten.
  2. Co-creatie
    Zoals hierboven reeds vermeld, is de opdracht van scholen heel groot en complex geworden. Daarom is het belangrijk dat alle onderwijspartners samen werken. CLB-medewerkers, ondersteuners, leerkrachten(teams) en pedagogisch begeleiders moeten de krachten bundelen als we de kwaliteit van ons onderwijs voor alle leerlingen willen blijven garanderen. Samen staan we sterk!
  3. Niveau- en netoverschrijdend
    Alle onderwijsnetten hebben hun eigen ondersteuningsnetwerken opgericht. Scholen zijn echter niet verplicht om samen te werken met een ondersteuningsnetwerk van hetzelfde net. Zo kan een school van Katholiek Onderwijs Vlaanderen ervoor kiezen om samen te werken met een ondersteuningsnetwerk van GO!.
    Er zijn tevens geen afzonderlijke ondersteuningsnetwerken voor basis- en secundair onderwijs.
  4. Brede en specifieke deskundigheid
    De overheid maakt een onderscheid tussen de brede en kleine types.
    Onder brede types vallen type basisaanbod (leerproblemen en -stoornissen), type 3 (gedrags- en emotionele stoornissen) en type 9 (autismespectrumstoornis). Maatregelen i.f.v. deze types genomen worden, kunnen vaak gebruikt worden om onderwijs voor alle leerlingen te verbeteren. Een voorbeeld hiervan zijn bv. hulpmiddelen bij rekenen, aanpassen van vraagstelling, gebruiken van een tijdslijn, bepaalde didactische werkvormen gebruiken, …
    Onder kleine types vallen type 2 (matig tot ernstige mentale beperking), type 4 (motorische beperking), type 6 (visuele beperking) en type 7 (auditieve beperking en STOS). Bij deze types is vaak een heel handicapspecifieke aanpak nodig waardoor het moeilijker is om de maatregelen door te trekken op klasniveau.
  5. Leerling- en leerkrachtgericht focus
    Zoals in punt 1 werd besproken, wil ondersteuning niet alleen de leerling maar ook de school sterker maken. Om dit te doen is een nauwe samenwerking met de klasleerkracht nodig. Ondersteuners hebben de leerkracht nodig om op zoek te gaan naar wat werkt voor een leerling in met die specifieke noden in die specifieke klas. Daarnaast kunnen de ondersteuner en de leerkracht als een team alternatieve didactische werkvormen, klasorganisaties,… verkennen. Het is niet de bedoeling om meer te doen. Integendeel, samen gaan we zoek naar hoe we dezelfde energie op een andere manier kunnen benutten die voordelig is voor alle leerlingen en uiteindelijk ook voor de leerkracht zelf.